Welke aanpak werkt in de bijstand?

Op 27 oktober is een deel van de Hilversumse gemeenteraad op werkbezoek geweest naar Rotterdam om daar te zien hoe daar wordt omgegaan met mensen in een uitkering en om te spreken over de Rotterdam-pas. Een zeer inzichtelijk bezoek. GroenLinks-raadslid Marleen Remmers deelt hier haar gedachten en ideeën n.a.v. dit bezoek.

In de gemeenteraad voeren we regelmatig discussie met elkaar over welke aanpak het beste werkt om bijstandsgerechtigden aan het werk te helpen. Dat doen we omdat we er allemaal van overtuigd zijn dat niemand ervoor kiest om langdurig uitkeringsafhankelijk te willen zijn, maar dat het soms voor de individuele burger, te moeilijk is om de afstand tot de arbeidsmarkt in zijn of haar eentje te overbruggen. Dat doen we ook omdat wij in Hilversum niet uitkomen met het zogenaamde BUIG budget; het budget van het Rijk dat wij ontvangen om uitkeringen van te betalen.

In heel Nederland wordt eigenlijk diezelfde discussie gevoerd: wat helpt nu daadwerkelijk om bijstandsgerechtigden te ondersteunen? GroenLinks heeft al eerder betoogd dat van de vele re-integratie-activiteiten die veel geld kosten, volstrekt onduidelijk is wat daar de effecten van zijn.

Onze opvatting was gebaseerd op een artikel in De Correspondent waarin – kort gezegd – wordt aangegeven dat we in Nederland jaarlijks meer dan 6,5 miljard euro uitgeven aan re-integratie-activiteiten, zonder dat bewezen is dat al deze aangeboden activiteiten enig nut helpen. Of, nog sterker gezegd: een aantal trajecten zouden zelfs de uitkeringsafhankelijkheid verlengen!

De aanpak van het Rotterdamse college is volstrekt anders dan die van het Amsterdamse college. In Amsterdam is Arjen Vliegenhart (SP) wethouder van sociale zaken, en in zijn aanpak gaat hij uit van vertrouwen in zijn burger: zijn sociale dienst begint te vragen naar de mogelijkheden van de bijstandsgerechtigde, en samen wordt er gezocht naar een plek in de Amsterdamse samenleving, waar dit talent benut en zo mogelijk uitgebouw kan worden. In Rotterdam is wethouder Maarten Struijvenberg van Leefbaar Rotterdam eerstverantwoordelijk. Heet hangijzer is de verplichte tegenprestatie. De wethouder zegt daarover het volgende:

‘Ik vind het vreemd dat gemeenten de participatiewet te streng of verplichtend vinden. Dertig jaar ander beleid leidde tot de huidige situatie. Geef de wet een kans en voer het uit. Vernieuwend in Rotterdam is dat mensen iets terug kunnen doen voor hun uitkering. Dat is geen symboolpolitiek. Veel mensen doen al iets terug, anderen helpen we ermee. Er zijn ook mensen die het niet willen, vaak uit angst. De tegenprestatie is bedoeld voor mensen met een lange afstand tot de arbeidsmarkt die niet zelfstandig een baan kunnen vinden. Ze zijn gemiddeld 51 jaar oud en zitten 11 jaar in de bijstand. Die mensen hebben angst om weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Ze hebben een gebrekkige motivatie en laag zelfbeeld. Het is belangrijk hen toch mee te krijgen. Wij stellen dat verplicht. Ze komen binnen met weerstand, maar komen wel en wij vragen wat ze graag willen doen. We kunnen met 1 uur werk per week beginnen, einddoel is 20 uur. Na drie of zes maanden blijken mensen blij met onze hulp: ze hebben meer sociale contacten, groter zelfvertrouwen en betere gezondheid. Uitstroom naar betaald werk is niet ons primaire doel voor hen, maar logischerwijs vergroten ze met 20 uur per week werk wel hun arbeidsmarktkansen. Ongeveer 150 keer per jaar lukt het hen naar betaald werk te begeleiden. Dat vind ik een succes.’

Ook is er in Rotterdam het project “werk loont” opgezet: van alle inwoners die een beroep doen op de participatiewet wordt een tegenprestatie van 20 uur per week verwacht. Daar mogen bijstandsgerechtigden zelf een voorstel voor doen, maar als dat niet lukt, komt de gemeente met een voorstel; en dat is inderdaad soms papier prikken, zoals de wethouder ons vertelde. Wethouder Struijvenberg is enthousiast over zijn aanpak. De kritische geluiden van de ombudsvrouw daarover legt hij vrij laconiek naast zich neer “ja, ik ken de opmerkingen van de ombudsvrouw. Dat is ook een mening”. 

Wat zegt de ombudsvrouw, snijdt haar rapportage hout? Haar team van onderzoekers beschrijft nauwkeurig waarom veel van de deelnemers zich voelen weggezet als ‘hufters, losers of fraudeurs.’

Om zomaar een paar dingen te noemen:

  • De uitkeringsgerechtigden moeten twintig keer per maand solliciteren.
  • Ze worden geacht straten schoon te vegen die al schoon zijn.
  • Hun (medische) privacy wordt structureel geschonden.
  • Er wordt om de haverklap gesteld dat er iets mis is met hun inzet en houding.
  • Veel van de deelnemers rapporteren lichamelijke en psychische stressklachten.
  • De meesten durven geen officiële klacht in te dienen uit angst te worden gekort op hun uitkering.

Sommige mensen besloten überhaupt geen uitkering meer aan te vragen nadat ze was duidelijk geworden wat de gemeente met hen van plan was.

Al met al lijkt het erop dat de uitgestroomde deelnemers een slechtere baan – of helemaal geen inkomen – verkozen boven de vernedering van WerkLoont. De meest voorkomende klachten (1. Intimidatie; 2. Zinloos werk; 3. Dreigbrieven van de gemeente) verklaren waarom de deelnemers aan het experiment iets sneller uit hun uitkering stroomden dan de controlegroep. Sommige mensen besloten überhaupt geen uitkering meer aan te vragen nadat ze was duidelijk geworden wat de gemeente met hen van plan was.

Het wordt nog erger. Uiteindelijk is het namelijk maar de vraag of die paar procent extra kans op een betaalde baan de werkloosheid in Rotterdam heeft teruggedrongen. Het is waarschijnlijker dat hier sprake is van verdringing: iemand van WerkLoont vindt een baan, iemand anders wordt werkloos.

Als we de cijfers van de bijstand in Rotterdam en Amsterdam met elkaar vergelijken vinden we geen grote verschillen (en natuurlijk is de situatie op de Rotterdamse arbeidsmarkt anders dan de Amsterdamse, evenals de mensen die in de bijstand zitten); met andere woorden je zou kunnen stellen dat zowel de aanpak van Vliegenthart als de aanpak van Struijvenberg werkt. Een voor de hand liggende conclusie van GroenLinks is dan ook dat als er aandacht gegeven wordt aan de situatie van de bijstandsgerechtigde, dat dàt aspect het verschil maakt. En als dat dan zo blijkt te zijn is het duidelijk dat GroenLinks kiest voor een aanpak die uitgaat van vertrouwen in de mogelijkheden van onze burgers. Wij gaan ervan uit dat iedereen talenten heeft. Soms diep verstopt of kwijt geraakt door jarenlange uitkeringsafhankelijkheid, verlies aan sociale kontakten en eigenwaarde.  

De discussie over een Hilversumse aanpak is nog lang niet goed genoeg gevoerd. Wij komen in Hilversum structureel geld tekort door het verdeelmodel dat het Rijk toepast. Dat is een reden om een discussie te voeren over het beleid, maar belangrijker is het om al onze burgers mee te laten doen in onze samenleving; wat ons betreft doet iedereen naar vermogen mee. Daar hoort ook bij dat er bij sommigen dwang (en korting op de uitkering) kan worden toegepast; het recht op bijstand blijft een recht, waar verplichtingen aan gekoppeld zijn. En daar mogen we als lokale overheid verplichtingen aan koppelen die we realistisch vinden en dat betekent dat voorop moet staan dat we naar de individuele mogelijkheden van burgers moeten kijken. Een grootschalig en uniform vormgegeven project WerkLoont past daar wat ons betreft niet goed genoeg bij.

Marleen Remmers
Woordvoerder sociaal domein GroenLinks